Voorkomen

Mensen in Westelijke landen worden gevaccineerd om te voorkomen dat ze ziek worden. Mensen worden vaak gevaccineerd tegen kinkhoest, difterie, polio, tetanus, bof, mazelen en rode hond. Deze ziektes waren vroeger heel gevaarlijk, nu zijn ze dat alleen nog voor mensen in armere landen.

Hoe werkt een vaccin?
Als je wordt gevaccineerd, krijg je een onschadelijke ziekteverwekker binnen. Die kan dood zijn, of heel zwak. Het kan ook zo zijn dat je alleen antigenen krijgt. Op zo'n vaccin reageert het lichaam: het dood ze. Terwijl dat gebeurt, ontstaan er geheugencellen zodat je immuun wordt voor de ziekte.

Je kan immuun worden door actieve of passieve immunisatie, ook is er een scheiding tussen kunstmatige en natuurlijke immunisatie.
Hieronder een overzicht:

  • Actief + kunstmatig
Je krijgt een vaccin met een ziekte, waar je lichaam moet tegen vechten.
  • Actief + natuurlijk
Je krijgt de ziekte, en wordt er immuun voor.
  • Passief + kunstmatig
Je krijgt antistoffen binnen, die de bacterie onschadelijk maken.
  • Passief + natuurlijk
De antistoffen krijg je bijvoorbeeld via voedsel of de moedermelk. 


Monoklonale antistoffen ontstaan uit hybridoma's. Hybridoma's zijn samensmeltingen van kankercellen met B-lymfocyten. Door de combinatie van de informatie die de B-lymfocyt geeft en de vele delingen van de kankercel, ontstaat de monoklonale antistof.

Antibiotica werkt tegen bacteriën en niet tegen virussen. Ook sommige bacteriën zijn resistent geworden tegen antibiotica. 

Als je een allergie hebt, herkent je lichaam sommige stoffen als lichaamsvreemd, terwijl ze neit schadelijk zijn. Bepaalde witte bloedcellen, genaamd mestcellen, zorgen mede voor die allergische reactie. Mestcellen zitten vooral in slijmvliezen. Als je voor het eerste in aanraking komt met iets waar je allergisch voor bent, wordt er een antistof aangemaakt die IgE heet. De moleculen van die stof hechten zich aan de receptoren van de mestcel membranen, waardoor de mestcellen gevoelig worden.
Kortom: Het antistof-IgE zorgt dus dat de mestcellen gevoelig worden, waardoor het tweede contact nog heftiger is.

Als je afweersysteem nauwelijks of zelfs helemaal niet in actie komt, is er sprake van immuundeficiëntie, zoals bijvoorbeeld aids. 


Definitie begrippen (schuingedrukt)


Vaccin 
Een stof dat in het lichaam wordt gebracht waarmee je immuun wordt voor de ziekte.

Serum
Als het bloed gestold is, is dit het overige vloeibare gedeelte.

Actieve / passieve immunisatie
Actief: Je komt er zelf mee in aanraking en je lichaam moet er tegen vechten.
Passief: Je hebt het al bij je geboorte gekregen

Natuurlijke / kunstmatige immunisatie
Natuurlijk: Je komt op een natuurlijke manier in aanraking met een ziekte.
Kunstmatig: Je komt op een kunstmatige manier in aanraking met een ziekte.

Monoklonale antistoffen
Antistoffen gemaakt door één B-lymfocyt

Antibiotica
Stof gemaakt door schimmels, die bacteriën remt of dood.


Allergie
Een 'fout' van het immuunsysteem. Het afweersysteem herkent iets dat niet in het lichaam hoort, wat niet schadelijk is.

Auto-immuunziekte
Je hebt een auto-immuunziekte als je lichaam niet kan onderscheiden of eiwitten van het lichaam zelf zijn of lichaamsvreemd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten